De "afsluitende vrede-recitatie" (uttara santi) van de Pravargya

(Taittiriya Aranyaka 4.42)

  1. (1) Laat de Wind, Matarisvan, waaien tot ons geluk; laat de Zon schijnen tot ons geluk; laat de Dagen tot ons geluk zijn; laat de Nacht aangenomen worden tot ons geluk; laat de Dageraad wijd schijnen tot ons geluk; laat Aditya (de Zon) opkomen tot ons geluk.
     
  2. Wees, o Sarasvati, gunstig voor ons, uiterst heilvol, vol mededogen. Mogen wij niet gescheiden zijn in het aanschouwen van jou.
     
  3. Voor Ila (de goddelijke koe) ben jij een verblijfplaats, verblijfplaatsen bezittend; mogen we niet afgesneden zijn van een verblijfplaats. Moge hij zonder verblijfplaats zijn die ons haat en die wij haten.
     
  4. Jij bent stabiliteit; mogen wij stabiliteit bezitten; mogen we niet afgesneden zijn van stabiliteit. Moge hij zonder stabiliteit zijn die ons haat en die wij haten.
     
  5. Hierheen, o Wind, waai je geneesmiddel; waai weg, o Wind, dat wat een kwaal is. Jij, waarlijk, genezer van eenieder, gaat als een boodschapper van de goden.
     
  6. Er zijn twee winden, o Wind, (één waaiend) vanaf de rivier en (één waaiend) vanuit de verte. Laat de ene mij hier vaardigheid aanwaaien; laat de ander ver weg waaien wat een kwaal is.
     
  7. Dat wat ginds, o Wind, in jouw huis als vat vol onsterfelijkheid(s-nectar) geplaatst is, geef ons daarvan om te leven; neem daaruit een geneesmiddel voor ons. Breng ons daaruit glorie.
     
  8. Laat de Wind, goedgunstig en verrukkelijk voor ons hart, een geneesmiddel aanwaaien.
     
  9. Jij bent het huis van Indra; bij jou (die) dat (paard is) neem ik mijn toevlucht, vergezeld door koeien, vergezeld door paarden, samen met dat wat mij toebehoort.
     
  10. Ik neem mijn toevlucht tot bhuh "aarde"; ik neem mijn toevlucht tot buvah "firmament"; ik neem mijn toevlucht tot suvah "hemel"; ik neem mijn toevlucht tot bhur bhuvah suvah; ik neem mijn toevlucht tot de wind; ik neem mijn toevlucht tot de ongekwetste godheid; ik neem mijn toevlucht tot de steen, het doel; ik neem mijn toevlucht tot Bráhman, Prajapati's verzameling verzen; ik neem mijn toevlucht tot om.
     
  11. Het firmament (moet) voor mij een wijde opening zijn, groot; (evenals) de vuren en de bergen (een wijde opening moeten zijn, groot, voor mij). Het welzijn waarmee de wind welzijn heeft, met dat welzijn moge ik welzijn hebben.
     
  12. O praná 'uitademing' en apaná 'inademing', beschermen jullie twee mij van de dood.
     
  13. In mij mentale kracht, in mij nageslacht, laat Agni bliljante energie plaatsen in mij; in mij mentale kracht, in mij nageslacht, laat Indra het vermogen van de zintuigen plaatsen in mij; in mij mentale kracht, in mij nageslacht, laat Surya luister plaatsen in mij.
     
  14. Gedurende dagen en nachten bescherm ons aan alle kanten, o Asvins, met wat onbeschadigbaar gunstig is.
    Laten Mitra en Varuna in hun grootheid hiermee instemmen voor ons, en Aditi, Sindhu, de Aarde en de Hemel.
     
  15. Met welke hulp zal onze heldere vriend, immer groeiend, met ons zijn; met welke krachtige beschutting?
     
  16. Welke waarachtige onder de verlevendigers, meest vrijgevige van het sap, zal zorgen dat je je verheugt in het sap? Zo dat je de taaie (kwaden) open breekt.
     
  17. Moge jij goed zijn voor ons, jouw vrienden de zangers, (moge hij) een helper (zijn), met een honderttal vormen van hulp.
     
  18. Als mooigevleugelde vogels hebben de zieners aan wie mentale kracht dierbaar is Indra benaderd, om hulp vragend: Neem de blinddoek weg, maak ons gezichtsvermogen compleet; bevrijd ons, wij die als in een net gevangen zijn.
     
  19. Laat de godinnen de wateren voor ons geluk zijn, voor onze bescherming; voor geluk en welzijn laat hen hierheen vloeien.
     
  20. De wateren, heersend over de begeerde goederen, de volkeren besturend, vraag ik om een geneesmiddel.
     
  21. Laat de wateren, de kruiden, goede vrienden zijn voor ons; slechte vrienden voor hem die ons haat en die wij haten.
     
  22. Jullie zijn waarlijk heerlijke wateren; als zodanig maakt ons gereed voor kracht, en voor het waarnemen van wat zeer aangenaam is.
     
  23. Dat meest gunstige sap van jullie, laat ons daar deel aan hebben, als waren jullie liefhebbende moeders.
     
  24. Voor jullie mogen wij (als priesters) goed zorgen voor hem (de offerheer), voor wiens huis jullie ons verlevendigen, o wateren, en regenereren.
     
  25. De aarde is tot vrede gebracht, samen met het vuur is zij tot vrede gebracht; laat zij, tot vrede gebracht, mijn lijden tot vrede brengen.
     
  26. De tussenruimte is tot vrede gebracht, samen met de wind is zij tot vrede gebracht; laat zij, tot vrede gebracht, mijn lijden tot vrede brengen.
     
  27. De hemel is tot vrede gebracht, samen met de zon is hij tot vrede gebracht; laat hij, tot vrede gebracht, mijn lijden tot vrede brengen.
     
  28. De aarde: (laat er) vrede (zijn); de tussenruimte: (laat er) vrede (zijn); de hemel: (laat er) vrede (zijn); de windrichtingen: (laat er) vrede (zijn); de tussenwindrichtingen: (laat er) vrede (zijn);
    vuur: (laat er) vrede (zijn); wind: (laat er) vrede (zijn); de zon: (laat er) vrede (zijn);
    de maan: (laat er) vrede (zijn); de sterren: (laat er) vrede (zijn);
    water: (laat er) vrede (zijn); de kruiden: (laat er) vrede (zijn); de bomen: (laat er) vrede (zijn);
    de koe: (laat er) vrede (zijn); de geit: (laat er) vrede (zijn); het paard: (laat er) vrede (zijn); de mens: (laat er) vrede (zijn);
    Bráhman: (laat er) vrede (zijn); de brahmaan: (laat er) vrede (zijn);
    (laat er) vrede, alleen maar vrede (zijn);
    laat er vrede zijn voor mij, vrede.
     
  29. Met dit vrede-brengen, (dit) universele vrede-brengen, creëer ik vrede voor mij, voor de tweevoetigen, voor de viervoetigen; laat er vrede zijn voor mij, vrede.
     
  30. Laten hier, in mijn richting, voorspoed, en bescheidenheid, en vastberadenheid; ascese, mentale kracht, stabiliteit, vertrouwen, waarachtigheid, en rechtvaardigheid: laten dezen samen met mij (in mijn richting) oprijzen als ik oprijs;
    Laten voorspoed, en bescheidenheid, en vastberadenheid; ascese, mentale kracht, stabiliteit, vertrouwen, waarachtigheid, en rechtvaardigheid mij niet (verlaten); laten dezen mij niet verlaten.
     
  31. Omhoog ben ik gerezen, met een levensduur, met een goede levensduur; omhoog, met het sap van de kruiden; op, met de kracht van Parjanya (de regengod), samen met de onsterfelijken.
     
  32. Dat oog, gevestigd door de goden, helder, opgaand in het oosten, mogen wij het een honderdtal herfsten zien; mogen wij een honderdtal herfsten leven; mogen wij ons een honderdtal herfsten verheugen; mogen wij een hondertal herfsten gelukkig zijn; mogen wij een honderdtal herfsten gedijen; mogen wij een honderdtal herfsten horen; mogen wij een honderdtal herfsten onderrichten; mogen wij een honderdtal herfsten bestaan zonder belaagd te worden, en (mogen wij bestaan) om de zon lange tijd te zien.
     
  33. Hij die opgerezen is vanuit de grote oceaan, schijnend, midden vanuit de wateren, laat hij, de stier, de rood-ogige, de Zon, de geïnspireerde, mij gedachtevol zuiveren.
     
  34. Jij bent zij die Bráhman uitwasemt; jullie twee zijn de as-pennen van Bráhman; jij bent de bevatter van Bráhman; ondersteund is deze aarde, de grote, door Bráhman; ondersteund door dit (Bráhman) is dit grote firmament; het heeft de hemel ondersteund (en) de aarde samen met de goden; wat ik weet, moge ik dat ondersteunen; moge de Veda mij niet ontglippen.
     
  35. Laten mentale kracht en denken, samen voortgaand, mij binnengaan, om dat te winnen wat ontstaan is en wat zal ontstaan. Moge ik tot een volledige levensduur gaan, moge ik tot een volledige levensduur gaan.
     
  36. Met deze gezangen sterk wordend, vul weer aan, o god met de voskleurige paarden (Indra), wat hier ontbreekt (in de gezangen) van ons. Wanneer jij voor de lofzangers de "stallen" (wolken) krachtig openbreekt, mogen wij dan overvloedig ontvangen van jou.
     
  37. Wij hebben het Bráhman (de rituele formulering) uitgesproken; moge het ons niet verlaten.
    Ooom! Vrede, vrede, vrede!

---

terug