De "begin vrede-recitatie" (purva santi) van de Pravargya

(Taittiriya Aranyaka 4.1)

 

  1. Glorie aan de Spraak, die uitgesproken is en die onuitgesproken is: aan deze Spraak glorie.

    Glorie aan de Spraak.

    Glorie aan de Heer van de Spraak.

    Glorie aan de zieners, de scheppers van mantras, de heren van de mantras.

    Moge de zieners, de scheppers van mantras, de heren van de mantras, mij niet in de steek laten.

    Moge ik de zieners, de scheppers van mantras, de heren van de mantras niet in de steek laten.
     

  2. Moge ik de Spraak spreken die behoort tot alle goden, die gelukbelovend is, onuitgeput, aangenaam aan de goden.
     
  3. Laat de hemel mij een beschermer zijn, laat de aarde mij een beschermer zijn, laat deze hele wereld mij een beschermer zijn. Laat de maan en de zon beschermers zijn, laat Brahman en Prajapati beschermers zijn.
     
  4. Ik zal spreken van wat bestaat, ik zal spreken van de wereld, ik zal spreken van brilliante energie, ik zal spreken van faam, ik zal spreken van ascese, ik zal spreken het Brahman, ik zal de waarheid spreken.
     
  5. Daarvoor spreid ik het spreidsel [het gras waarop de goden voor het offer uitgenodigd worden te zitten] uit. Moge het een spreidsel zijn voor mijn kinderen, voor mijn vee. Moge ik een spreidsel zijn voor kinderen, voor vee.
     
  6. O Prana (uitademing) en (Apana) inademing, beschermen jullie twee mij van de dood. O Prana en Apana, verlaat mij niet.
     
  7. Ik zal het zoete in gedachten hebben, ik zal het zoete voortbrengen, ik zal het zoete overbrengen, ik zal het zoete uitspreken. Moge ik de Spraak spreken die vol is van het zoete voor de goden, waar de mensen graag naar luisteren. Laat de goden mij hier leiden tot glorie; laat de vaderen er plezier aan beleven.
     
  8. Ooom! Vrede, vrede, vrede!

---

terug